Weetjes :

Altijd geslaagde mayonaise

Om zeker altijd te slagen als je mayonaise maakt, doe gewoon eerst de eidooier in de bodem van de kom en meng met de mosterd. Daarna 15 minuten laten staan, zodat het mengsel op temperatuur komt. Peper en zout toevoegen en monteer dan vervolgens met olie, en de mayonaise zal perfect zijn. Eventueel nog wat afwerken met azijn of citroen.
Groeten Christiaan

Crosne een groente uit het land van de rijzende zon

Zijn vorm heeft wat weg van een Michelin mannetje. Zou dat de reden zijn waarom de Fransen de crosne een warm hart toedragen? Of zijn onze zuiderburen gezwicht voor de zachte en subtiele smaak van deze originele knol?

Crosne wordt ook wel Japanse andoorn genoemd. Die benaming verwijst naar de oorsprong van de witte, spiraalvormige knolletjes. Japanse andoorn komt uit het Verre Oosten. In de achttiende eeuw werd het gewas al geteeld in China en Japan. Het werd pas op het einde van de negentiende eeuw, in het Noord-Franse plaatsje Crosne, voor het eerst aangeplant in Europa. Vandaag wordt de plant nog steeds grootschalig verbouwd in japan en India. Maar ook in Frankrijk wordt hij hier en daar geteeld.

SPECIFIEKE SMAAK
De typische vorm van crosne spreekt tot de verbeelding: het is een knol van drie tot vijf cm lang. De knolletjes behoren tot dezelfde familie als munt en salie. Maar enkel bij crosne zijn het de wortels die eetbaar zijn, en niet de blaadjes. De smaak van de decoratieve groente heeft iets weg van nieuwe aardappelen. Daarom wordt crosne ook wel eens Japanse aardappel genoemd. Sommigen omschrijven de smaak dan weer als een kruising tussen bloemkool, artisjok en schorseneer.

KORTE BEWAARTIJD
Crosnes bevatten vitamine C, vitamine B en ijzer. Ze zijn hoofdzakelijk verkrijgbaar van oktober tot april. De knol droogt snel uit en zijn smaak gaat achteruit onder invloed van licht. Daarom moet crosne op een donkere en koele plek worden bewaard.
In de koelkast kunt u crosnes ongeveer een week bewaren.

Catalogna , groenlof, suikerij

Groenlof is een oud groentegewas, dat in veel Zuid- en Middeneuropese landen wordt geteeld en het miden houdt tussen andijvie en witlof. Groenlof is een omvangrijk bladgewas: vanuit een relatief dunne wortel ontwikkelt zich een naar de kop toe breed uitgroeiende krop. Het komt vaak voor dat zich alleen een breed uitwaaierende bladrozet vormt. In tegenstelling tot witlof vormt de krop zich tijdens de vegetatieve fase, in het eerste groeijaar, en niet in de generatieve fase, in het tweede groeijaar. De alternatieve benaming – suikerij en suikerbrood – suggereert een zoete groente, maar dit is niet zo. Groenlof kan soms zelfs behoorlijk bitter smaken, al blijft de smaak milder dan die van witlof. De teelt van groenlof is eenvoudig en lukt op de meeste grondsoorten. Bemesten moet mondjesmaat gebeuren. De gevoeligheid van groenlof voor doorschieten bij lage temperaturen maakt dat men niet eerder dan half juni moet zaaien, hoewel de jonge plantjes al vroeger in perspotjes onder warm glas opgekweekt kunnen worden. Zaaien in geultjes op 30 à 35 cm afstand van elkaar. Wil men jong, maar erg bitter, blad oogsten, dan tamelijk dik zaaien. Men krijgt echter een veel smakelijker bladgroen, als dun wordt gezaaid en later de planten in de rijen tot op 25-30 cm worden gedund, zodat het langwerpige kroppen worden. Los jong blad kan al een maand na zaaidatum worden geoogst, maar de ontwikkeling van een krop vraagt wat meer tijd (drie maanden). De geelwitte bladeren in het hart van de krop zijn het lekkerst. Groenlof wordt meestal onder de benaming ‘(Vroeg zelfsluitend) Groenlof’ , ‘Suikerij’, ‘(Verbeterd) Suikerbrood’ of ‘Zuckerhut’ aangeboden, zonder vermelding van een ras. Tot dusver zijn de zaden zeer heterogeen van samenstelling gebleken, waardoor vaak geen of onvoldoende gesloten kroppen ontstaan. ‘Scarpia’ en ‘Poncho’ zijn twee rassen met goed sluitende kroppen. Deze groente wordt gebruikt in salades en typisch Italiaanse gerechten. Ze is ook verwant met de suikerij van Milaan en roodlof.
Groeten Christiaan

Bamboe

Een groeiend aantal tuinbezitters plant tegenwoordig bamboe in de tuin. Bamboes behoren tot de familie van de grassen. Het zijn wintergroene planten waarvan de halmen in hun Land van herkomst tot 40 m hoog kunnen worden. Dan hebben ze een doorsnede van wel 30 cm.

SNEL, NUTTIG EN STERK
Er is geen plant die zo snel groeit als een bamboestengel. Soms schieten jonge scheuren in een er maal meer dan een meter de hoogte in. Diktegroei vertoont een bamboestengel niet; hij blijft zijn hele leven lang even rank als bij het ontstaan. Van de holle stengels wordt dankbaar gebruik gemaakt bij het maken van bruggen, meubels, huizen, gebruiksvoorwerpen en waterleidingbuizen. Van dikke exemplaren snijden handige ambachtslieden zelfs emmers. De jonge scheuren smaken verrukkelijk en van de houtpulp brouwen de Oost-Aziaten een geestrijke drank. In Hong Kong zijn zelfs de bouwsteigers rond de wolkenkrabbers van bamboe.

MOOI EN MEEDOGENLOOS
Een minder fraaie bamboesoort is Pseudosasa japonica, die ten tijde van de shoguns van groot militair belang was. Hij leverde de vlijmscherpe pijlen op de bogen van de samoerai. Ter dood veroordeelden werden in de lente op de bodem russen de halmen gelegd. De scherpe scheuten groeiden dan dwars door hun lichaam. Een wrede dood.

PANDABROOD
Een lief dier dat van bamboe leeft is de pandabeer. In Europa zijn er speciale bamboevelden die de dierentuinen met verse bamboe bevoorraden. De jonge scheuten zijn ook voor ons mensen mals en lekker.

IN DE TUIN
In de tuin is de bamboe heel decoratief. De gestileerde halmen scheppen een exotisch sfeertje, en bovendien is elke grote bamboe een uitstekende leverancier van bonenstaken. Wegens hun neiging om te woekeren moet je er in de ruin uiterst omzichtig mee omspringen. Het is best de worteluitlopers van grote bamboes zoals Phyllostachys in te tomen door een stevig plastic, de zogenaamde risikobegrenzer, rond de planten in de bodem re plaatsen. En zelfs dan durven de sterkste bamboes te ontsnappen. De uitlopers kunnen in één jaar ruim 1 meter verder lopen, vaak met pijnlijke burenruzies tot gevolg.
Groeten Christiaan

Chimay

De Tripel, Cinq Cents in 75 cl genoemd, kenmerkt zich door een goudgele kleur, een vaak licht gesluierd uitzicht en een fijn schuim. Het dankt zijn typische geur aan een geslaagde combinatie van verse hop en gist. In de mond proeft u vooral het hoppige aroma, waarin de fruitige “muscat”- en “droge druif”-toetsen domineren. Dit aroma benadrukt de ietwat bittere smaak. Er is dus geen sprake van een wrange smaak, wel bestaat er een fijne bitterheid in de afdronk die wegsmelt in de mond. Dit Trappistenbier van hoge gisting is niet gepasteuriseerd en gist na op de fles.

Avocado

De avocado is een vrucht die net als een peer aan een vrij hoge boom groeit, de Persea am ericana, afkomstig uit tropisch Amerika en verwant aan de laurier. De boom heeft een fraai, vaak aan de randen rood aanlopend blad. Uit de grote pit kun je gemakkelijk een tijdelijke kamerplant kweken.

BIG IS BEAUTIFUL
Omdat de pit van de vrucht erg groot is, was het zaak grote avocado’s met veel vruchtvlees te kweken. De veredeling van de vruchtbomen was hierop gericht. Erg grote vruchten kunnen 1 kg zwaar zijn. Rijpe avocado’s hebben smeltend vruchtvlees met een aparte, licht olieachtige smaak. De avocado bevat voor een vrucht erg veel vetten en is dus allesbehalve aangewezen voedsel wanneer je wilt lijnen. Bij aanschaf zijn de vruchten vaak nog hard. Ze zijn dan niet echt lekker. Als je ze een paar dagen op kamertemperatuur bewaart is het vruchtvlees boterzacht en lekker. De Azteken noemden de avocado alhuacatl, boter uit het bos.

GROTE VRUCHTBAARHEID
Een goed onderhouden en volwassen Persea americana kan jaarlijks gemakkelijk 500 avocado’s voortbrengen. Over het algemeen leveren deze calorierijke vruchten zowel op de plaatselijke als op de wereldmarkt een vrij goede prijs op. Om die reden zie je de decoratieve boom zowel in de tropen en de subtropen als in kleine privetuinen aangeplant.

PRIMA KAMERPLANT
De avocado boom is een goede kuipplant die ook in de winter een temperatuur van minstens 15°C vereist en daarom het best als een amusante, zij het tijdelijke kamerplant gekweekt kan worden. Deze kamerplant hoeft niets te kosten. Wanneer je de dikkere onderzijde van de pit ongeveer 3 cm diep in een potgrond voor rododendrons en azalea’s plant en de kluit vochtig en warm houdt, het geheel met een heldere plastic zak of een kamerkasje afdekt en op een lichte en niet al te koele plek neerpoot, zal uit de opengespleten pit een stevige stengel oprijzen. Wanneer deze stengel vier blaadjes heeft verwijder je het plastic en pot je het boompje. Vruchten mag je niet verwachten. Geef niet veel plantenvoedsel en verpot het jonge boompje elk voorjaar omdat Persea americana erg gevoelig is voor zouten in de potgrond.
Groeten Christiaan

Papaja

De papaja of boommeloen, Carica papaya, is een merkwaardige plant met grote vruchten. De bladeren bezitten een vreemde eigenschap en de zaden van de papaja hebben de pikante smaak van waterkers. Daarom noemden de Spanjaarden de papaja ooit mastuerzo, waterkersvijg.

EEN GROTE PLANT OF EEN BOOM?
We hebben een beetje fantasie nodig om Carica papaya een boom te noemen. Vaak lijkt hij eerder een vlezige stengel dan een stam te bezitten. Met de grote pruik geveerde bladeren bovenaan de stengelachtige groene stam en de vruchten die soms met een tiental tegelijk rond de stam hangen, is het hoe dan ook een intrigerende exotische verschijning. Toch dragen niet alle papajabomen vruchten. Er bestaan immers ook mannelijke exemplaren.

STRAFFE BLADEREN
De bladeren van de papaja zijn erg ornamenteel en lijken op die van de acanthus, de plant die zijn blad leende voor het kapiteel van de Corinthische zuil. Ze hebben een vreemde kracht. Taai vlees dat in het blad wordt gewikkeld wordt mals en gaat na enkele uren tot ontbinding over. Een aftreksel van de bladeren helpt astmalijders en het melksap dat de plant in alle delen bezit, heeft wormafdrijvende eigenschappen en bezit een enzym dat bloedklonters oplost en maaglijden verzacht. Het hout van de ‘boom’ is minderwaardig en wordt
haast uitsluitend als brandhout gebruikt.

MEXICAANS EN FEL
De papaja met zijn grote vruchten, die als ze rijp zijn op gele meloenen lijken en dan oranje vruchtvlees bezitten en purperzwarte zaden, is van Mexicaanse origine. In Cuba, waar deze nuttige boom en vrucht erg gesmaakt wordt, spreekt men van ftuta bomba, bomfruit. omdat papaja in het Cubaans de onbeschaamde naam is voor de vrouwelijke schaamstreek.

KLEINERE VRUCHTEN, GROTERE AFZET
Meestal komen bij ons kleinvruchtige rassen in de handel. Die zijn handzamer. Er is een aparte soort, de zogenaamde bergpapaja, Carica candamarcensis, die lagere temperaturen verdraagt en daarom ook bij ons in een vorstvrij gehouden kas geribde vruchten kan schenken. Ze zijn zurig met een appelaroma en heel geschikt voor jam. Papaja’s zijn gemakkelijk uit zaad te telen en elke vrucht bevat vele tientallen donkere zaden.

Groeten Christiaan